De Antrodokter: van leven naar de dood

Aäron Spapens is afgestudeerd antropoloog en is momenteel bezig met zijn co-schappen om arts te worden. Een antropologisch medicus in spé die zijn verhalen uit het veld maandelijks publiceert op Tijdschrift Cul. Vandaag zijn tweede verhaal, over slechtnieuws-gesprekken en de dood.

Lees ook deel 1 van de Antrodokter: Rite de passagiersstoel 

Ik haalde een aantal keren diep adem, pakte mijn spullen en liep met de gangen van het ziekenhuis onder mijn voeten door naar buiten. Daar stapte ik op een voertuig, betiteld als een doodsgevaar(te). Ik reed weg, weg van de dood, maar mijn tranen onder mijn helm waren gevuld met verslagenheid – de onmacht van mijn ongeloof. Desondanks is deze ervaring één van de redenen voor mijn passie voor het artsenschap.

Er is een fijne draad tussen leven en dood en het gebied tussen deze binaire oppositie wordt, helaas, veelvuldig ingevuld door een proces: ziekte. Ziekte overschaduwd vaak gezondheid, al vormt ziekte slechts één onderdeel van de glijdende schaal van (on)gezondheid waarop men op ieder moment van het leven zich kan bevinden.

“Health is a state of complete physical, mental and social well-being and not merely the absence of disease or infirmity” (WHO 1948).

 

Deze zin heb ik vaak gelezen tijdens mijn studies en vaak heb ik mijn hoofd gebroken over wat deze zin eigenlijk inhoudt. Graag nodig ik u uit dit ook te doen.

Gezondheid, Leven en Dood

Het heeft mij altijd verbaasd dat in 1948 al een dergelijke open interpretatie over gezondheid is beschreven, aangezien hedendaags gezondheid nog vaak wordt gezien als het niet hebben van ziekte. Als pleidooi voor dit foutieve argument -c.q. gezondheid is het ontbreken van ziekte- stel ik dat ziekte een sterke, al dan niet de sterkste, katalysator is van ongezondheid dan wel van leven naar dood.

Technologie houdt geen rekening met menselijkheid en emoties

Tijdens mijn onderzoek naar identiteitsvorming na kanker, kwam ik deze ziekte te leren kennen als een paradox. (Ex-)Patiënten vertelden mij dat ze zich (nog) niet ziek voelden maar toch ziek waren ten tijde van de diagnose. Het meest schrijnende vond ik nog wel dat de therapie tegen kanker voornamelijk zorgde voor het ervaren van ziekte, doordat mensen zich ziek gingen voelen. Kanker manifesteert zich (vaak) niet als ziekte maar als lichamelijk ongemak of een toevalsbevinding. De therapie geeft echter de klachten en dus de ervaring van ziekte. Wederom paradoxaal, als er niet behandeld zou worden, zal deze ziekte zich uiteindelijk ook uiten met ernstige klachten van ziek-zijn en hoe dan ook de dood katalyseren.

Technologie vs menselijkheid

De eerste week van mijn co-schappen was op zijn zachts gezegd ‘heftig’ te noemen. De eerste patiënt die ik zag, was een oude mevrouw die reeds het leven los aan het laten was. Nog nooit eerder had ik dergelijke ‘fladderende’ ademhalingen gezien. Later die avond, zo stel ik mijzelf graag voor, zou zij zich uit haar cocon des levens verlossen en haar levenslijn inruilen om als vlinder verder te vliegen in de nevelen der tijd.

Niet veel later stond ik bij een jonge man, vol levenslust en perspectief, die nog als ‘rupsje nooit genoeg’ de wereld moet ontdekken. Zijn tijd als vlinder was gevoelsmatig nog niet gekomen. Allereerst zou hij nog zijn cocon moeten bouwen; het liefst met een liefdevolle wederhelft en indien gewenst kleine rupsjes voort te brengen –  bij wijze van spreken, hoewel het biologisch onmogelijk is voor een cocon. Het geschetste ziekteproces zou deze toekomst niet onmiddellijk in gevaar brengen. De hedendaagse geneeskunst kan namelijk veel en doet ook veel.

‘De technologie staat voor niets’, zeker wanneer technologie zich tegen je keert. De onmacht die men kan voelen wanneer je computer vastloopt te midden van het schrijven van een publicatie, wetende dat het geschrevene teniet zal gaan, is voor velen inleefbaar en begrijpelijk. De onmacht die men voelt wanneer diagnostiek uitwijst dat je ongeneeslijk ziek bent, is dat niet. Technologie houdt geen rekening met menselijkheid en emoties. Zo was ik op mijn vijfde dag getuigen van een  slecht-nieuws-gesprek, waarin voor alle aanwezigen de emoties onbedwingbaar waren – al zal ik nooit kunnen begrijpen hoe het zou voelen voor hem en zijn familie.

Met een tal van witte jassen in een kamer waar de patiënt lag, omringd door vele familieleden, werd de boodschap gebracht…

Het ongeloof: de schrik van de boodschap

De ontkenning: het niet erkennen van het ogenschijnlijk onvermijdbare lot

Het (half)bewustzijn: het (quasi) besef dat het lot bezegeld is

De acceptatie: als dit er ooit zal zijn, in geloof of ongeloof.

De dwarrelende zeepbel van hoop spatte in een verneveling van verdriet uiteen. Zijn handen sloeg hij voor zijn ogen, alsof hij de lelijkheid van deze wereld niet meer wilde zien. Zijn handen vormden een schild voor wat om hem heen gebeurde. Roerloos zat hij daar in bed, geluidloos snakte hij naar adem die hem beroofd was en oorverdovend was zijn snik die de angst stomdoof had gemaakt.

Zelden, nee nooit, heb ik zo’n diversiteit van en zo’n heftig verdriet gezien. De eerste drie reacties uit bovenstaande rijtje kwamen in verschillende gedaantes, gradaties en mengvormen voor – dat het zelfs verkeerd voelt om ze tot deze driedeling te reduceren. Ieder persoon, ieder karakter en iedere soort relatie kreeg een eigen gewichtigheid.

Ik bezweek onder dit gebaar van zijn moeder.

Zijn moeder, een warme en prachtige vrouw, bezweek onder de klap en gewicht van de boodschap. Uit een oerinstinct van moederschap stond ze op, abrupt en haast onmenselijk snel, nadat ze door verzorgende handen van familie en zorgverleners verzorgd werd, alsof iets van haar meester maakte. Ze stortte uit in een religieus-emotionele elegie -‘klaagzang’- terwijl ze naar zijn bedrand bewoog en half knielend zijn voeten begon te kussen.

Hoewel ik van binnen al volgeschoten was met emoties die groter waren dan wat ik kon bedwingen, bezweek ik onder dit gebaar van zijn moeder. In mij stroomden nu watervallen van verdriet, maar tevens bemerkte ik een opwelling van opluchting. Ik besefte mij op dit moment door hoeveel liefde deze jonge man omringd werd.

Op de terugweg naar de artsenkamer zei de door emoties gegrepen specialist, met achter zijn ogen dezelfde stortbak aan tranen: ‘Dit went nooit, ga vanmiddag naar huis en verzet je gedachten. Maak gebruik van je weekend.’ In de artsenkamer zei mijn begeleidend arts-assistent, in dezelfde trend: ‘Ga maar alvast naar huis, het was een zware dag voor je. Geniet van je weekend en blaas het even allemaal van je af.’

Ik haalde een aantal keren diep adem, pakte mijn spullen en liep met de gangen van het ziekenhuis onder mijn voeten door naar buiten. Daar stapte ik op, op een voertuig, betiteld als een doodsgevaar(te). Ik reed weg, weg van de dood, maar mijn tranen onder mijn helm waren gevuld met verslagenheid – de onmacht van mijn ongeloof.

فالزمها فإِن الجنة تحت رِجليها ,لكن هي قدميك التي ستدخل الجنة. ابقى قوياً!

Het Paradijs ligt aan haar voeten, maar het zijn jouw voeten die het Paradijs zullen betreden. Blijf sterk!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *