Op zoek naar realiteit tussen de paardenschijt

Auteur // Dieuwke Papma
Beeld // Tobiah Palm 

Zonder fietslicht? Dat moet de Amsterdammer zijn!´ Met veel kabaal word ik op het erf onthaald. Vrijwel direct gaat de boer over tot praktische zaken. Ik moet namelijk nog boodschappen doen. ‘Je heb een kwartier totdat de supermarkt sluit. Wel eens in een diesel gereden?’ Voor ik het weet zit ik achter het stuur. ‘Koppeling!’, brult hij door mijn raampje. Vol trap ik op de rem.

Het staat symbool voor de rest van mijn verblijf. Op de Terschellingse paardenboerderij wordt grof onderscheid gemaakt tussen ‘eilanders’ en ‘mensen van wal’. Erger nog: ik ben er ‘eentje uit de stad’. Continu wordt ik luidkeels gecorrigeerd – brullen ze niet ‘koppeling’, dan wel een ander commando. En ik? Ik trap op de rem, stuntel nog wat, en tuf schokkerig weg. We spreken een andere taal. Met achterstand probeer ik mijn aanpassingsvermogen te bewijzen, en leef al snel mét en vóór deze nieuwe groep mensen. Vastgeklampt aan mijn mestvork onderga ik een razendsnelle metamorfose. Wie ik ben blijkt betrekkelijk.

Op de boerderij draait het minder om paarden dan in eerste instantie gedacht. Weilanden afzetten, toiletgebouwen poetsen, hout kloven… Maar even ‘lekker’ met een paard het strand op? Ik krijg de indruk dat de boer deze gedachte nogal stads vindt. De dieren zijn er voor de gasten, niet voor mij.

Op een middag moet paard Geert naar de wei worden gebracht. Vol goede moed pak ik hem vast, maar hoe harder ik aan het touw trek, hoe meer weerstand het dier geeft. Geert blijkt een karrenpaard. ‘Daar moet je tegen praten, niet aan trekken – net als jij’, zegt de boer terwijl hij me uitdagend aankijkt. Dergelijke vergelijkingen tussen mens en dier zijn hem niet vreemd. De boer heeft hier heel wat rondlopen: zwakke schapen, koppige ezels, malse koeien… En zo ben ik de personificatie van karrenpaard Geert. Ik ben door het dolle. Hij begint me te snappen.

Mijn moeder komt langs. Met roze baret en gebloemde laarsjes tref ik haar op het erf. Ik zie dat ze schrikt. Begrijpelijk. In lijn met mijn nieuwe levensmotto ‘slecht weer bestaat niet, slechte kleding wel’ draag ik een enorme verzameling vieze truien en broeken. ‘Wat is het hier stil’, zegt ze. Ik vind het wel meevallen. ‘Wat een stadse opmerking’, denkt mijn nieuwe ik.

Na twee weken vol pijnlijke miscommunicatie wordt mijn meest stoute droom werkelijkheid. De laatste avond van mijn verblijf ben ik uitgenodigd voor de surpriseparty van de boerenzoon. Op tafel staan twee pannen soep: één met, en één zonder ballen. ‘Speciaal voor onze Dieuwke’, zegt de boer met zijn altijd sprankelende pretoogjes. ‘Helemaal vegetarisch.

Samen ervaren we hoe betrekkelijk we zijn. Ik heb leren poep scheppen, hij heeft vegetarische soep gemaakt. We zijn elkaars taal gaan spreken. Koppeling? Ik geef gas. Het was soep met ballen.

 

[i] Benieuwd naar de Terschellingse brul? Het bestaat. Echt! [/i]: https://www.youtube.com/watch?v=D9SzTJLgeOY (1 min).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *