De laatste uitvinding van de mens

Wie wel eens een aflevering van de serie Black Mirror heeft gekeken, zal niet onbekend zijn met het nare gevoel dat sommige afleveringen bij je achter kan laten. Waar we afleveringen van andere series massaal achter elkaar bingewatchen, zegt men regelmatig maximaal maar één aflevering van Black Mirror per keer aan te kunnen.

Tekst // Marcella Grasdijk
Beeld // Jolijn Sterk

De Sci-Fi serie Black Mirror schetst in elke aflevering op een andere manier hoe onze wereld en maatschappij er door technologische ontwikkelingen uit zou kunnen zien. Er wordt bijvoorbeeld een wereld laten zien waarin alle mensen implantaten dragen waarmee ze elk moment uit hun leven opnemen en weer terug kunnen kijken. Gedurende de aflevering worden de gevaren die dit met zich meedraagt duidelijk. Door onze huidige relatie met technologie en doordat de afleveringen zich afspelen in de nabije toekomst, komt deze eventuele werkelijkheid akelig dichtbij. Waar kunstmatige intelligentie, Artificial Intelligence of AI, in het verleden vooral leidde tot discussie over praktische zaken als het verdwijnen van banen door mechanisering, heeft de discussie zich inmiddels verplaatst naar grotere existentiële vraagstukken. Want hoe zal de wereld er uitzien wanneer computer software intelligenter is dan de mens en waarom is de mens hier zo bang voor?

Weak AI en Strong AI

Om dit te kunnen begrijpen is het noodzakelijk eerst te kijken naar de verschillende vormen van kunstmatige intelligentie en hun plaats in de geschiedenis. AI is namelijk een erg jonge discipline van nog geen vijftig jaar oud. De eerste vorm is Weak AI wat als doel altijd het uitvoeren van één taak heeft. Je kan denken aan voorbeelden als het automatisch inparkeren van je auto of Google Translate. Weak AI is waar de ontwikkelingen in de technologie tot nu zijn geraakt. Hoewel software het menselijke brein al op vele niveaus, zoals snelheid en capaciteit, overschrijdt, is er nog geen software ontwikkeld die kan meten aan de complexiteit van ons denken. Artificial General Intelligence , AGI of Strong AI , is waar wetenschappers momenteel naar streven. Een software die op hetzelfde intelligentie niveau van de mens zou moeten uitkomen en meer dan één taak tegelijkertijd kan uitvoeren. In de hersenen worden er constant taken tegelijkertijd uitgevoerd. AI-wetenschappers nemen een voorbeeld aan de menselijke hersenen die zij als een soort computer bestuderen. Door de algoritmen in onze hersenen te begrijpen en weer toe te passen in een computer, hopen ze uiteindelijk bij een AI uit te komen die hetzelfde fungeert als onze hersenen. Het probleem is echter dat we op veel gebieden, bijvoorbeeld op het gebied van emoties, nog niet weten hoe we zelf denken en het dus ook niet aan computers kunnen leren.

Wanneer AGI eenmaal ontwikkeld is, zal het daar niet bij stoppen. Machine Learning is een exponentieel proces, wat inhoudt dat niet alleen de intelligentie, maar ook de snelheid waarin het intelligentie van computer zich ontwikkelt , stijgt. Wetenschappers in de kunstmatige intelligentie voorspellen dat de uitvinding van AGI één van de laatste uitvindingen van de mens zal zijn, doordat Machine Learning de menselijke intelligentie met zijn exponentiële snelheid van ontwikkeling in zal halen.

De hersencapaciteit van mensen heeft in zekere zin een biologische limiet. AI heeft geen limiet omdat het niet gebonden is aan zijn biologische omhulsel. We kunnen oneindig grote computers en geheugens bouwen. AGI zal zichzelf steeds opnieuw kunnen verbeteren om tot een hogere intelligentie te komen. Wanneer AI zodanig ver ontwikkeld raakt dat het de mens inhaalt, zal AI op een gegeven moment onbegrijpelijk worden voor de mensheid. Zoals bijvoorbeeld een hond niet de hersencapaciteit heeft om te leren hoofdrekenen, Zullen de capaciteiten van AI de mens te boven gaan.

Machtsmonopolie van de mens

De kans dat computers de mens inhalen op het gebied van intelligentie in de komende decennia is zeer waarschijnlijk, al dan niet onvermijdelijk. Waarom is de mens hier zo bang voor?

Wanneer we kijken naar de geschiedenis van de mens, is er een duidelijk patroon zichtbaar. Als neanderthaler was de mens al bezig zijn omgeving naar zijn eigen hand te zetten: het maken van vuur, het verbouwen van gewassen, het gebruiken van steenkool en uiteindelijk nog veel grotere technische ontwikkelingen. De mens wil controle en macht hebben over de natuur om dit in zijn eigen voordeel te gebruik. Tot op zekere hoogte lukt dit de mens ook ontzettend goed en alsmaar beter. Op grote natuurlijke factoren als het weer en natuurstormen na, heeft de mens de natuur door de geschiedenis heen steeds beter weten te controleren.

Waar vroeger fysieke kracht nog bepaalde wie de sterkste was, is de mens door zijn intelligentie op dit moment het machtigste wezen op deze aardbol. Deze machtspositie wil de mens behouden, maar wanneer intelligentie bepaald waar de macht ligt en AI intelligenter is dan de mens, ontstaat ook de vraag of de machtspositie dan verschuift naar de kunstmatige intelligentie.

Verscheidene AI-wetenschappers waarschuwen voor het verliezen van de controle. Tot nu toe is het altijd de mens geweest die de opdrachten gaf aan computers. Zonder opdracht doet een computer niks, maar wanneer AI zodanig intelligent is dat het iets ontwikkelt wat op zelfbewustzijn lijkt, zou de computer ook uit eigen initiatief handelingen kunnen verrichten.

De mens zou regels in de software kunnen coderen, maar dit is een tijdelijke oplossing. Dat het intelligentieniveau van de AI boven die van de mens uitstijgt, zou namelijk kunnen betekenen dat de computer zichzelf leert hercoderen en wegen om de regels heen weet te vinden. De consequentie hiervan, zo waarschuwen de wetenschappers, is dat je de stekker er niet zomaar uit kan trekken, op het moment dat je de controle verliest.

Angst voor AI

Hollywoodfilms, waar AI wordt afgebeeld als kwaadaardige robots die de wereld willen overnemen, dragen ook niet bij aan een optimistischer beeld over AI. Is de angst nou eigenlijk wel zo realistisch? Hoewel wetenschappers AI proberen te programmeren aan de hand van het denkvermogen van de mens, zullen de ‘denkstructuur’ van mens en computer altijd blijven verschillen. Computers zullen nooit op dezelfde manier emoties en intrinsieke motivatie hebben als de mens, dus waar zou dan voor een computer de motivatie vandaan komen een machtspositie boven de mens te willen innemen?

Wanneer we nadenken over computers met (een meer dan) menselijke intelligentie, maken we vaak ook associaties met andere menselijke kenmerken, zoals het streven naar macht. Tenzij we dit zo inprogrammeren hoeven we daar bij computers niet zo bang voor te zijn. Zo’n ontzettend hoge mate van intelligentie geeft inderdaad heel veel macht, maar vooral in de handen van mensen, kan dit ernstige gevolgen hebben voor de mensheid.

Wanneer AI als wapen ingezet zou worden, achten wetenschapper AI als gevaarlijker dan nucleaire wapens. De verdere ontwikkeling van AI gaat zowel op positieve als negatieve wijzen voor heel veel verandering zorgen op de wereld, wat op zich natuurlijk al best eng kan zijn. Toch hoeven we niet bang te zijn voor de intelligentie waar we aan blootgesteld gaan worden, maar moeten we goed nadenken over de manier waarop de mens hiermee om kan gaan en welke beperkingen er aan gebonden moeten worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *