Alumnus aan het woord: Marian Tankink

Toen ze verkracht werd was het alsof er een bom in haar werd geplant, vertelde een Soedanese vrouw aan Marian Tankink. De promovenda deed onderzoek naar seksueel oorlogsgeweld tegen vrouwen. Ze schreef er een proefschrift over en ontdekte dat het georganiseerde verkrachten van vrouwen bijna altijd neerkomt op seksueel geweld, en dat een verkrachte vrouw niet één, maar tientallen keren doodgaat.

Tekst // Tobiah Palm
Beeld // Fotograaf Marian Tankink

‘Het is veranderd, de manier waarop we oorlog voeren,’ vertelt Marian Tankink. Haar promotieonderzoek deed ze onder vrouwen in Nederland die gevlucht zijn voor oorlog in Afghanistan, Zuid-Soedan en Bosnië en Herzegovina. De vrouwen met wie ze sprak hebben allemaal seksueel geweld meegemaakt in die oorlogen en wonen nu in Nederland. ‘We moeten ons realiseren dat oorlog niet meer betekent dat je, zoals bij de onafhankelijkheidsgevechten in Amerika, op zondagmiddag op een heuvel gaat picknicken en ondertussen naar de vechtende partijen kijkt. In de oorlogen van tegenwoordig zijn 96 procent van de slachtoffers burger. Seksueel geweld is onderdeel geworden van die oorlog tegen burgers.’

Sociale Angst

Vrouwen vertellen vaak niet wat ze hebben meegemaakt, zegt Tankink, omdat ze bang zijn veroordeeld te worden door hun groep. Ze onderscheidt twee soorten angst: de ‘individuele’ angst die vooral een aanslag is op je zelfbeeld en zelfgevoel.

Maar voor veel vrouwen is angst ook iets sociaals. Zo is het in Afghanistan ‘normaal’ dat een man van een vrouw scheidt als zij verkracht is, dat haar kinderen niet meer bij haar mogen blijven en dat ze verstoten wordt door haar omgeving: ‘vrouwen houden hun oorlogstrauma voor zich omdat ze bang zijn er alleen voor te komen te staan. Een vrouw zei ooit tegen me dat als je doodgaat, je maar één keer doodgaat. Maar als je verkracht wordt, dan ga je elke dag dood, omdat iedereen je veroordeelt of je behandelt als een stuk vuil. Mensen vertellen liever niet wat ze hebben meegemaakt, omdat ze dat als sociale dood ervaren.’

Schaamte

Aristoteles zei ooit: ‘schaamte zit in de ogen van anderen.’ Mensen ervaren schaamte doordat ze bang zijn veroordeeld te worden. Schaamte is van de buitenwereld, maar angst zit binnen in iemand. Vrouwen zijn bang om er alleen voor te staan en vertellen daarom niet wat ze meegemaakt hebben, aldus Tankink. Een vrouw uit Zuid-Soedan vertelde haar: ‘toen ik verkracht werd is er een bom in mijn buik geplant en die bom is nog niet afgegaan. Die gaat pas af als ik ga praten. Dan zal mijn man van mij scheiden, zullen mijn kinderen worden afgepakt. Dan zal niemand uit mijn wereld me meer willen zien.’

In de gebieden waar de vrouwen vandaan komen die Tankink gesproken heeft is verkrachting ook een effectieve manier om een hele gemeenschap te vernederen. De groep die verkracht zegt eigenlijk tegen de soldaten, of mannen, tegen wie ze vechten: jullie zijn slappe soldaten, want jullie kunnen niet eens je eigen vrouwen beschermen. Een verkrachte vrouw is vernietigend voor het ‘wij-gevoel’, of zoals Tankink het noemt, de ‘wijzelf ’. Tankink zet de wijzelf tegenover de mijzelf. Zo wordt iemand die iets verkeerd doet in een individuele maatschappij daar enkel zelf voor veroordeeld, maar in een wijzelf samenleving staat het slecht voor de hele familie. Het eergevoel is beschadigd, de onuitgesproken morele codes zijn ernstig aangetast.

Roddels

Voor vrouwen die gevlucht zijn is de sociale groep uit hun moederland vaak het enige wat ze hebben. De enige groep die dezelfde taal en tradities heeft. Wanneer ze geen familie hebben om mee te praten, houden ze hun ervaringen met seksueel geweld vaak voor zich. Met familie kan je namelijk praten, die zullen niet roddelen omdat het ook slecht voor hen staat als een vrouw uit hun familie verkracht is. Maar de rest van de sociale groep roddelt wel. En in die roddels zit een onverbiddelijk oordeel. De vrouw hoort namelijk een voorbeeld voor de groep te zijn, door haar eerbaarheid en correcte gedrag houdt zij de cultuur in leven. De wijze waarop men praat over haar status, wat je het vertoog van de groep zou kunnen noemen, wordt geschonden als zij bekend wordt als slachtoffer van seksueel geweld. Wanneer ze is verkracht is ze besmeurd en kan ze haar enige taak – een onbesproken voorbeeldvrouw zijn – niet volbrengen. Door die afgedwongen ontkenning, die georganiseerde stilte, kan het vertoog dat seksueel geweld mijdt nooit doorbroken worden. Mensen blijven hetzelfde verhaal vertellen. Tankink: ‘ik heb meerdere vrouwen gesproken wiens mannen heel lief, begripvol en ondersteunend waren nadat ze verteld hadden dat ze verkracht waren. Het lastige is dat die mannen, net als de vrouwen, op hun beurt het seksuele oorlogsgeweld ook stilhouden, uit angst voor de veroordeling van de sociale groep. De mannen zijn bang dat ze door andere mannen aangeraden of gedwongen worden te scheiden van hun vrouw en zullen daarom altijd hun mond houden. Op die manier breken man en vrouw, onder elkaar wel met de traditie van het ontkennende vertoog, maar de groep als zodanig houdt het discours in stand omdat niemand de ‘goede’ ervaring met elkaar deelt.’

Er is echter hoop: de Nobelprijs voor vrede is dit jaar naar Nadia Murad uit Noord-Irak en de Congolese gynaecoloog Denis Mukwege gegaan. Zij zetten zich beiden in tegen seksueel oorlogsgeweld en proberen daarmee het vanzelfsprekende zwijgen, ondanks de schaamte, te doorbreken. Het staat nu internationaal op de agenda, vertelt Tankink: ‘het monumentale taboe is nog niet op hun eind vrees ik, maar deze prijs is een hoopvol begin: eigenlijk is het een prijs voor alle vrouwelijke slachtoffers.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.