We hebben ficties nodig om feiten te begrijpen

Amade M’charek, professor in de antropologie van de wetenschap, doet onderzoek naar de wijze waarop de genetica en forensisch onderzoek zich tot de samenleving verhoudt. Ze analyseert de manier waarop wetenschappelijke bevindingen tot stand komen, en hoe deze vervolgens geïnterpreteerd worden in het publieke domein. In haar werk richt M’charek zich veelal op contexten waarin ras, of racisme, gezien of ongezien aan de orde zijn. Ze laat zien welke rol feiten en ficties hierin spelen.

Tekst /// Veerle Boekestijn

Waarom is het belangrijk om te erkennen dat we ficties nodig hebben om feiten te begrijpen?

Laat ik vooropstellen dat het heel belangrijk is om een onderscheid te maken tussen feiten en fictie. De wereld van de fictie, daar is heel veel vrijheid mogelijk, terwijl de wereld van de feiten zich aan bepaalde wetten houdt, met bepaalde manieren van kennen en ontdekken. Maar, op de een of andere manier trappen we vaak in de valkuil om die als twee gescheiden domeinen te classificeren, die los van elkaar bestaan.

Er zijn natuurlijk leugens, maar dat is niet het soort fictie waar ik op doel. Ik heb het over fictie als een waarachtig verhaal. Dit kan gestolde kennis zijn, een theorie die we mobiliseren om een fenomeen te verklaren, of zelfs een traditie.

We streven in de wetenschap natuurlijk naar betere waarheidsclaims over de werkelijkheid, betere feiten. In mijn werk probeer ik te laten zien hoe we zulke claims niet kunnen maken zonder alle verhalen over de werkelijkheid die we tot onze beschikking hebben. Sterker nog, zónder al die verhalen, en zonder al die ficties die we met elkaar delen valt er helemaal niets te zeggen – en zijn die feiten veel minder waardevol.

Heeft deze erkenning ook implicaties voor de manier waarop we (effectief) antiracisme kunnen organiseren?

Ja. Het dominante antiracisme standpunt is dat het onderscheid op basis van ras geen plaats moet hebben in de samenleving. Daar ben ik het mee eens! Maar de erkenning dat feit en fictie van elkaar afhankelijk zijn is een belangrijke toevoeging aan dit debat, omdat er momenteel twee gescheiden standpunten in bestaan die twee verschillende werelden lijken te representeren. Aan de ene kant staat de wereld van de wetenschap, die over de feiten gaat – in het bijzonder de biologische wetenschap die in ons lichaam kan kijken. Aan de andere kant staat de wereld van de ideologie en de sociale interpretatie. Over ras wordt dus gedacht dat het óf een feit is, dat je in het lichaam kan traceren, óf het is een fictie, een ideologie; goed of kwaad. Het probleem is dat er geen statische definitie van ras bestaat, die blijft namelijk steeds veranderen.

Ik laat zien dat beide standpunten onhoudbaar zijn. Dat betekent niet dat ze er niet toe doen, want ik wil juist ruimte maken om na te denken over hoe we ons kunnen verhouden tot wat ras is, tot hoe we dat in praktijk doen. Dat is specifiek voor het onderwerp ras een belangrijke toevoeging aan het debat, omdat we op die manier tot effectief anti-racisme kunnen komen.

Ik wil ras dus niet definiëren, maar juist de complexiteit die het heeft gehad in de geschiedenis omarmen. Want als we ras serieus willen nemen, in hoe wij tot raciale wezens worden gemaakt, dan is het belangrijk om het niet te reduceren tot een biologisch feit of culturele fictie. Zo kunnen we het problematiseren, omdat we dan goed kunnen laten zien welke onwenselijke effecten het heeft op de samenleving.

Het probleem is dit: als we denken dat ras te bestrijden is door de feiten op een rij te zetten, dan vergeten de rol van de verhalen en de ficties, en hoe die ras en racisme voort kunnen laten bestaan. Dit, ondanks het feit dat de genetica bijna op dagelijkse basis laat zien dat ras niet bestaat en verschillen tussen bevolkingsgroepen vloeibaar historisch gegroeid zijn. Het onderkennen van de voortdurende mix, het voortdurend samengaan van feiten en ficties bepaalt ook onze politieke of opvoedingsstrategie.

Hoe verhoudt je argument, dat feit en fictie van elkaar afhankelijk zijn, zich tot de discussie over ‘alternative facts’?

De discussie over ‘alternative facts’ vind ik heel bedreigend. Het individualiseert kennis. En het trivialiseert onze instituties. Feiten worden zo gelijkgesteld aan een standpunt van iemand. Alsof eenieder toegang heeft tot kennis. Zo is het niet, en zo is het nooit geweest: kennis is altijd gestructureerd geweest. We zijn afhankelijk van wetenschap, en we zijn afhankelijk geworden van bepaalde vormen van kennis die we tot feiten hebben gemaakt. Het is heel prettig dat we onszelf niet elke dag opnieuw moeten uitvinden, en dat we heel veel dingen voor vanzelfsprekend kunnen nemen. We hebben als samenlevingen ook veel in kennis geïnvesteerd.

Het trivialieren van onze kennisinstituten, door de kennis die deze voortbrengen gelijk te stellen aan een mening op facebook, vergeet voor het gemak dat het leeuwendeel van die wetenschappelijke kennis het fundament en het weefsel levert voor onze moderne samenlevingen. Van het water dat we drinken tot de telefoons die we ons hand houden. Dat over het hoofd zien heeft grote maatschappelijke consequenties.

Ik probeer te laten zien dat we feiten niet kunnen kennen zonder ficties, omdat we verhalen nodig hebben om fenomenen die we waarnemen te duiden en te begrijpen. Dus we maken dat onderscheid tussen feiten en ficties voortdurend, als individuen maar ook als instituties. En we hebben ficties in de vorm van verhalen nodig om feiten beter te appreciëren. Dit betekent alleen niet dat elk feit even veel waard is, en elke fictie evenveel waard is. We zijn dan niet ontslagen van de verantwoordelijk om na te denken over de bron van kennis en over hoe die kennis tot stand is gekomen. We moeten ons voortdurend de vraag stellen: welke feiten en ficties zijn bij elkaar gebracht en hoe dragen zij bij aan het kennen van een fenomeen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *