‘Schat, zullen we meelwormen eten vanavond?’

Eten is een van de belangrijkste dingen in het leven. In ons veilige Nederland is de aanwezigheid ervan een vanzelfsprekendheid geworden. Het gevolg hiervan is dat wat we wel en niet eten, als iets compleet natuurlijks en onveranderlijks beschouwen. Insecten bijvoorbeeld, dat ‘hoor’ je echt niet te eten. Maar hoe komt het dat we garnalen zien als een lekker maaltje, maar dat we walgen bij het idee van sprinkhanen bij het avondeten?

Tekst // Susan Goldman

Beeld // Mark Schaap

Naar verwachting wonen er in het jaar 2050 ongeveer tien miljard mensen op de wereld. Al deze monden moeten gevuld worden, maar hoe gaan we dit doen als we nu al meer nemen van de aarde dan dat we het geven? Mogelijke verbeteringen zoals minder of helemaal geen vlees eten zijn al breed uitgemeten. Maar wat als we met zijn allen eens naar insecten omkijken als voedsel? Ze hebben van alle dieren op de wereld het minste sympathie van de mens, terwijl ze ontzettend nuttig zijn voor het behoud van de aarde. Naast dat ze veel minder methaangas uitstoten dan koeien, kippen en varkens, nemen ze ook minder ruimte in. Ze bevatten ook nog eens veel voedingstoffen zoals vitaminen en eiwitten, zo bevat honderd gram sprinkhanen ongeveer twintig gram eiwit. Dat is twee keer zoveel als dezelfde hoeveelheid zwarte bonen en evenveel als een kippenboutje. Een hele duurzame keuze dus, maar waarschijnlijk heb je nog nooit mensen tegen elkaar horen zeggen: ‘Schat, zullen we eens lekker meelwormen gaan eten vanavond?’ Hoe kan dat toch?

Hokjesdenken

Het zal je niet verbazen dat angst en afkeer de voornaamste reden zijn dat insecten niet gegeten worden in Nederland. Maar hoe bepalen we of iets eetbaar is of niet? Antropologe Mary Douglas stelt in haar boek Purity and Danger dat mensen categorieën scheppen waarin we de dagelijkse realiteit proberen te vatten, zo ook in het geval van eten. Dat wat gezien wordt als rein, wordt in de categorie eetbaar gestopt. Wanneer het niet in deze categorie valt dan wordt het gezien als compleet het tegenovergestelde, namelijk als ‘onrein’, of volgens Douglas als een ‘gevaar’. En iets gevaarlijks stop je liever niet in je mond.

                Zo ook met insecten. Over het algemeen hebben deze beestjes een slechte reputatie, want ze zijn eng en onvoorspelbaar. Een sprinkhaan kan plotseling op je springen, een oorwurm kan zomaar je oor binnen wandelen en ’s nachts zouden spinnen in je mond kunnen kruipen. We hebben een heel narratief opgebouwd, iets wat generaties na elkaar is doorgegeven. Hierdoor zijn insecten dus in de categorie van viezigheid gestopt. Daarnaast willen mensen ook eten naar hun status. Insecten worden door hun ‘viezigheid’ vaak aan armoede gekoppeld, en als een welvarende Nederlander passen ze dus niet bij je levensstijl. Belangrijk is dat dit groten-deels onbewust gebeurt, maar het weegt wel degelijk mee in de keuzes die we maken over wat we wel eten en wat niet. 

                De categorieën eetbaar en oneetbaar zijn niet statisch, maar eerder dynamisch. Ze hangen af van de plaats, de tijd en normen en waarden. Alles is een product van de geschiedenis. Iets wat nu compleet vanzelfsprekend is om te consumeren, kan jaren later veranderd zijn. Ook de manier waarop ons eten gepresenteerd wordt, speelt een grote rol. Tegenwoordig zijn alle delen van een beest apart te verkrijgen in de supermarkt. Het geheel krijgt de consument nooit te zien. Zo beschouwen we die koe in de wei niet als voedsel, terwijl we het wel eten. In het geval van een insect, zie je plots het hele dier. Eng! Onze relatie met eten is dus door de tijd heen erg veranderd en daardoor ook onze categorisering van eetbaar en oneetbaar. 

Insecten: waarom toch niet?

Het ding met verandering is alleen dat je het bijna nooit helder op het moment zelf ziet, maar altijd beter achteraf. Daarom sprak ik een expert op dit gebied: mijn eigen oma Mimi, geboren in 1919. Met haar 99 jaar vormen haar verhalen een kijkje in de geschiedenis. Zo heeft zij een tijd meegemaakt waarin eten helemaal niet vanzelfsprekend was. In de hongerwinter van de Tweede Wereldoorlog heeft ze tulpenbollen moeten eten en in diezelfde tijd fietste ze soms naar een dorp zestig kilometer verderop omdat daar blikjes bonen verkrijgbaar waren. Tot op de dag van vandaag zal ze nooit voedsel weggooien. In haar jeugd werd er anders naar bepaald voedsel gekeken dan nu. Zo vertelt ze dat zalm en paling in haar jonge jaren voedsel voor armelui was. Kip daarentegen was een ware traktatie. Toch wel een hele verandering als je kijkt naar het heden, waarin door overbevissing en vervuiling het aantal zalmen en palingen flink is afgenomen. Ook kip is iets compleet ‘normaals’ geworden dankzij een omstreden uitvinding van de mens: de bio-industrie.

                De tijd en context waarin je opgroeit heeft dus veel invloed op de relatie tussen mens en voedsel. En hoe zit dat dan met insecten? Mimi zag er niet zoveel kwaads in. ‘Garnaaltjes lijken ook op insectjes, maar dan van de zeebodem, en die eten we maar al te graag! En als het echt goed is voor het behoud van onze aarde, waarom dan niet?’

Practice what you preach

Met die gedachte begon ik een experiment onder het mom van ‘practice what you preach’. Aangezien er in mijn omgeving geen winkel bestaat om insecten te kopen, bood het internet een uitkomst. Wat bleek: veel sites verkopen gevriesdroogde insecten en producten met insecten erin verwerkt. De keuze viel op een zakje sprinkhanen. Eenmaal geleverd kon het feest beginnen. Eerlijk is eerlijk, het voelt wat vreemd om met je hand in een zak met sprinkhanen te graaien, maar de gedachte aan kruipende beestjes moet je even opzijzetten. Kip is ook niet bepaald sexy als je het onbereid uit de verpakking haalt. Na de sprinkhanen gebakken te hebben met wat knoflook kon er geproefd worden. De smaak is verrassend hartig, een beetje nootachtig zelfs. Deze ervaring moest gedeeld worden! Helaas zaten er weinig mensen op mijn enthousiasme te wachten.

                Mijn huisgenoten kropen bijna op de kast van angst. Ook mijn beste vriendin keek met een vies gezicht in het bakje met de sprinkhaantjes. Alleen mijn zus stopte er een zonder aarzelen in haar mond. Leuk voor een keer, maar niet iets wat mensen wekelijks zouden eten volgens haar. Niet alleen omdat ze eng zijn, maar ook omdat er een taboe op rust: ‘ik vertelde aan mijn klas dat ik sprinkhanen had gegeten. Nu sta ik bekend als iemand die alles eet, zelfs insecten’. Insecten eten wordt dus gezien als iets wat wringt met onze sociale normen. Je bent toch wel een beetje gek als je het doet. Of juist dapper omdat je het durft. Dit kan dus, bewust en onbewust, een drempel vormen om insecten te gaan eten. Want ‘raar’ wil je natuurlijk niet gevonden worden, liever meet je jezelf met de rest en houd je het bij je vertrouwde stukje vis, vlees of vega.

Tijd voor verandering

Je zou al met al dus kunnen zeggen dat de angst voor insecten zelf en de angst om buiten de boot te vallen de redenen zijn waarom we nog geen insecten eten in grote getallen. Ondertussen zijn er toch echt veranderingen in ons eetpatroon nodig om de aarde te behouden. Moeten we onze angsten en normen wat betreft insecten niet eens kritisch onder de loep nemen?

                Hoogleraar Laurens Bakker, gespecialiseerd op het gebied ontwikkeling en ongelijkheid, weet niet of insecten voor menselijk consumptie echt een nieuwe ontwikkeling gaat worden. ‘Krekel kiloknallers, dat gaat het volgens mij niet worden. Insecten blijven naar mijn idee interessant voor een kleine groep mensen, bijvoorbeeld in de hogere culinaire kringen.’ Dit zie je inderdaad vaker gebeuren, neem bijvoorbeeld kaviaar. Als je erbij nadenkt, is dit eigenlijk een verzameling vissenembryo’s, ook niet bepaald een smakelijk idee.

                Toch staat het fenomeen dat ‘raar’ voedsel alleen is weggelegd voor een bevoorrechte groep mensen, in contrast met het feit dat in Afrika en Azië van oudsher insecten worden gegeten, en dan niet alleen door de elite. Logisch, want ze zijn voedzaam, goedkoop en toegankelijk. In sommige gevallen dient het kweken van insecten als bijverdienste. Kortom, klinkt als een stabiliteit in arme gebieden met weinig voedselzekerheid.                          

                Maar stel: als wij als welvarende burgers onze neus ineens niet meer ophalen voor insecten, omdat we eindelijk gaan inzien dat onze eetgewoontes moeten veranderden, zal dit dan ook nadelige gevolgen hebben voor die landen waar van oudsher insecten worden gegeten en verbouwd? Gaan de insecten bijvoorbeeld de quinoa achterna? Een graansoort uit Bolivia die ineens immens populair werd in de Verenigde Staten en Europa door zijn supergezonde eigenschappen. De prijs ervan steeg zo hard dat Bolivianen het zelf niet meer konden eten, en dit terwijl het gewas vaak de basis van de maaltijd vormde. Bakker stipt hier een belangrijk punt aan: ‘ik denk niet dat dit zal gebeuren bij insecten. In tegenstelling tot quinoa, dat alleen in het hooggebergte groeit, zijn insecten overal te kweken. Hierdoor zal er dus minder kans zijn dat er zich een web van ongelijke machtsrelaties kan vormen rondom de productie en handel van insecten.’

Al met al lijkt het eten van insecten een goede keuze te zijn voor de toekomst op deze aarde. Zullen de beestjes hierdoor het verdomhoekje van eng en vies ontstijgen, en langzaam gezien worden als eetbaar? Hiervoor moeten we wel onze relatie met, niet alleen insecten, maar met al ons voedsel drastisch gaan verbeteren. Niet bang zijn voor weten wat je eet en nieuwsgierig blijven naar nieuwe mogelijkheden op het gebied van consumeren. Het is echter begrijpelijk dat de gedachte om insecten te eten nu nog heel gek is. Maar als de geschiedenis van voedsel ons iets leert is het wel dat de categorie ‘eetbaar’ continue verandert en zit je over een paar jaar wel insecten te eten als borrelhapje. Mijn oma zal er in ieder geval niet van opkijken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.