Menselijkheid als Afghaans concept

Op 18 mei had ik een skype-gesprek met M. terwijl hij op een stoep in Athene zat. Achter hem zag ik rode Arabische letters op de afgebladderde muren staan. Ik heb dit stuk geschreven aan de hand van ons gesprek, maar omdat het zo persoonlijk voelde, heb ik het vanuit zijn perspectief geschreven. Of M. ooit in Nederland aan gaat komen, weet ik niet. Ik weet alleen dat ik niet anders kan dan zijn verhaal met jullie delen. 

Tekst en beeld /// Nina Läuger

Ik kom uit Afghanistan. Thuis studeerde ik computerwetenschappen en vijf jaar lang werkte ik nauw samen met de NAVO om het Duitse en Franse leger te ondersteunen die in mijn land oorlog voerden tegen het kwaad: de Taliban. De Taliban viel mijn huis binnen, verwondden mijn broer en vader. Ze vermoordden mijn zus.

Het is niet meer uit te houden. Ik ben niet meer veilig. Ik vluchtte uit deze regen van bommen en meren van geweld. In mijn eentje vertrok ik uit Afghanistan en reisde via Turkije naar Griekenland, waar ik in een kamp terecht kwam met nog honderden anderen.

Inmiddels is het een jaar en vijf maanden later. Na deze helse dagen die ik een voor een heb moeten doorleven, krijg ik te horen dat mijn asiel is afgewezen. Waarschijnlijk omdat ik ben opgekomen voor de rechten van vluchtelingen. Over een maand word ik teruggestuurd naar Afghanistan. Een Afghaanse NAVO-collega van mij werd enkele maanden geleden ook teruggestuurd en binnen twee dagen was hij dood. Vermoord door de Taliban. Het zou daar veilig zijn. Mijn advocaat kan er ook niks aan doen, zegt ze.

Naar welke ambassade ik ook toe ga, ik krijg altijd hetzelfde te horen, namelijk geen enkel antwoord op mijn vragen. Het is koud, het eten is slecht. En helaas kan ik niet in woorden aan jullie laten ruiken hoe erg het in het kamp stinkt.

Mijn overvolle kamp in Athene wordt ontruimd. Weet je waarvoor? Het grondstuk is verkocht voor casino’s en andere uitgaansgelegenheden die geld binnen zouden harken van Aziaten en Arabieren. Families met kinderen slapen nu op de Atheense straten in de stromende zomerregens, nadat iedereen zonder pardon van het terrein is gesleept. Gisteren is er een vrouw bevallen op straat, ik belde de ambulance maar niemand kwam opdagen. Waarschijnlijk luisteren ze niet naar mannen met een Afghaans accent. Na de publieke bevalling is de vrouw in een tent gelegd, want het ging ‘inmiddels wel beter met haar’. Ze willen dat we als dieren gaan leven op straat, of in de bergen uit het zicht.

Misschien zelfs niet eens als dieren. Honden geven ze eten, katten krijgen brokjes. Ze bouwen huizen. Ze bouwen stallen, laten de beestjes zachtjes tegen hun verwarming aan vleien. Maar vluchtelingen? Die zijn nog lager dan dieren. Ik vraag me dagelijks af of menselijkheid een Afghaans concept is, ze lijken het hier in Europa niet te kennen.

Honden geven ze eten, katten krijgen brokjes. Ze bouwen huizen. Ze bouwen stallen, laten de beestjes zachtjes tegen hun verwarming aan vleien. Maar vluchtelingen? Die zijn nog lager dan dieren.

De grootmachten spelen een spelletje, een voetbalspel met de middellijn in Syrië en de bal bestaande uit duizenden ontheemde kinderen, vrouwen en mannen. Elke trap zorgt voor een verplaatsing. Vluchtelingen zijn de speelbal in deze dans van de dood. Nooit is iemand ergens lang veilig, laat staan dat iemand de kans krijgt zich thuis te voelen.

Syriërs worden binnen onthaald met geld, eten en de juiste papieren. Wij, de Afghanen, Eritreeërs, Irakezen, Iraniërs worden bij het grofvuil gezet. Onze landen hebben immers geen olie. De Amerikanen zijn enkel Afghanistan kapot aan het bombarderen om te laten zien hoe makkelijk ze dat met Iran ook zouden kunnen doen. Mijn thuis, Afghanistan, krijgt alleen bestaansrecht in de vorm van een machtsvertoon.

Griekse politici gebruiken de vluchtelingen als geldmagneet. Europese ‘rechten’ tellen alleen als er iemand bij gebaat gaat. En met ‘iemand’ doelen we dus niet op vluchtelingen, die zijn immers lager dan dieren weet je nog? Het recht op onderdak en eten heb ik allang opgegeven. Ik ben ook al meerdere keren in elkaar geslagen door de politie. De minister die over vluchtelingen gaat, Muzalas, kwam naar het kamp enkele dagen nadat ik een demonstratie had georganiseerd waarin ik en andere vluchtelingen vroegen om menselijkheid. Wij zijn immers ook mensen en hebben het recht op een bepaald levensonderhoud. Hij kwam naar het kamp en gebood politieagenten mij, wegens mijn kritiek, in elkaar te slaan. Dat deden de agenten. En niet zo een beetje ook.

In het kamp komen soms mannen binnenlopen met messen en geweren. Ze proberen me te vermoorden. De politie heeft ze niet opgepakt aangezien zij wel over de juiste papieren beschikten: namelijk het Griekse paspoort.

Het is alsof ik hier moet wachten op de tegemoetkomende dood. Ik kan niks anders doen dan weer proberen te vluchten op de illegale manier. Voor €1500 heb ik de kans om in Milaan aan te komen, maar dat geld moet ik de komende dagen bij elkaar zien te sprokkelen. Ik bel je als ik in Milaan ben aangekomen, oké? Maar als ik echt teruggestuurd ga worden naar Afghanistan en op die wijze mijn dood wordt ingestuurd, pleeg ik het liefst nog zelfmoord. Liever deze dood dan de dood die de Europese leiders voor mij in petto hebben. Hopelijk tot snel.

We wisselden nog enkele, misschien onterecht, hoopvolle woorden uit en verbraken de verbinding. Ik hoop dat ik volgende week een oproep binnen krijg en hij heelhuids in Milaan is aangekomen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *