Jullie moeten echt niet denken dat we dom zijn!

Anne-Goaitske Breteler –

Afgelopen zondag, eerste paasdag, bevond ik mij te midden van familiaire toestanden. Zoals dat hoort tijdens Pasen. Het verhaal dat de boventoon voerde was van mijn vader. Hij heeft net voor het eerst een tablet gekregen. Al meerdere keren heb ik hem horen zeggen dat er een wereld voor hem open is gegaan. Het deed me denken aan het onderzoek voor het vak ‘methoden en technieken 1’ waar ik al een tijd mee bezig ben. We onderzoeken de relatie tussen senioren en technologie. Erg interessant, omdat het contrast tussen de jongere en oudere generaties anno nu steeds duidelijker en tastbaarder naar voren komt.

In ons onderzoek hebben we afgelopen week geënquêteerd bij twee verschillende groepen respondenten. We wilden kijken of we onze hypothese bij konden stellen: “ouderen voelen zich achtergesteld met betrekking tot technologie door de jongere generatie in de leeftijd van 18-25 jaar”. Om hier een goed antwoord op te geven is het belangrijk om niet alleen vanuit het perspectief van de senioren te kijken, maar ook vanuit het perspectief van de jongeren.

De eerste groep respondenten omvatte daarom de jeugd. Deze groep is makkelijk toegankelijk voor ons als onderzoekers, aangezien vele kennissen ook in die leeftijdscategorie zitten. De tweede groep kostte echter iets meer moeite. Uiteindelijk vonden we een ouderensoos die ons toestond om de enquêtes af te nemen. Met genoeg vragenlijsten en pennen in mijn rugzak liepen we in ons onderzoekerstenue naar de ouderensoos. Hier aangekomen ervoeren we direct de awkward positie die we als onderzoekers kunnen ervaren in het veld. Een aantal respondenten liet duidelijk hun afkeer merken naar aanleiding van de vragenlijst die we hadden opgesteld. We zouden de vragen veel te simpel gesteld hebben, onze respondenten ‘zijn namelijk echt niet dom en heel hoog opgeleid’, aldus één van de respondenten. We moesten vooral niet denken dat wij als onderzoekers alles wisten en dat onze respondenten totaal geen verstand hebben van technologie. Het ging zelfs zo ver dat ze de volledige voor- en achternaam van onze docent wilden weten omdat ze totaal niet snapten hoe het mogelijk was dat wij zo’n vragenlijst hadden opgesteld. Het bleek dat deze ouderensoos plek bood aan vele hoogopgeleide senioren in hartje Amsterdam. Wij hadden de enquêtes juist zo concreet mogelijk opgesteld, omdat we niet wisten in wat voor staat we de senioren zouden aantreffen.

Na het afnemen van onze enquêtes, hebben we een beter beeld gekregen van de ouderen in relatie tot technologische ontwikkelingen. Wij denken dat de houding van senioren, die meestal als ‘passief’ met betrekking tot technologie wordt gezien, voortkomt uit een onzekerheid. Deze onzekerheid is het resultaat van de vergelijking met de jongere generaties. De jongere generaties zijn erg zelfverzekerd met betrekking tot technologie. Verder zijn de senioren leergierig en gedreven om technologie eigen te maken. Wij denken dat de jongere generaties en hun omgang met technologie het heersende ideaalbeeld van de senior is. Daarom vermijden senioren vaak situaties waarbij ze jongeren om hulp moeten vragen met betrekking tot technologie. Eerder wordt hulp gezocht bij een vertrouwelijke sociale verhouding. Dit kan het eigen kind zijn, maar ook een leeftijdgenoot van de oudere.

Ik leg de uitkomst van mijn onderzoek voor aan mijn gamende twaalfjarige broertje. “Saaaaai” zegt ie. Tevergeefs probeer ik hem nog te herinneren aan het feit dat hij zo moest lachen toen mijn oma in plaats van de telefoon op te nemen, een spraakopname had gemaakt. Dat zou hetzelfde zijn door mij, alfastudente, in het bijzijn van bètastudenten een wiskundesom op te laten lossen.

Anne-Goaitske Breteler

"Het narcisme van het kleine verschil." - Freud

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *