Een tralies van perceptie

Tekst // Miguel van Doorn

Ik staarde naar boven. Ik zag de vijf witte oppervlakten die mijn kamer vormgaven. M’n hoofd was zover mogelijk naar achteren gekanteld zodat alle vijf de lege vlakken in mijn zicht vielen. Ik verwonderde me over mijn zogenaamde perifere zicht. Tegelijkertijd maakten de lege muren mij teleurgesteld. Ik mocht namelijk niets op de muren hangen van m’n ouders. Ze wilden niet dat ik me hier thuis ging voelen, want het huis waar ik toen in leefde was dus niet van ons. Toch zat ik wel in míjn kamer. Nouja, “ónze” kamer, want ik deelde hem met Soufyan, m’n broer. Naast de lege vlakken waren de kamers ingericht met twee simpele bedden, een nachtkansje in het midden en een deur aan de andere kant, natuurlijk. Soufyan is mijn voorbeeld aangezien onze vader er alles aan doet om ons niet op te voeden; hij is vooral te druk met zaakjes. Hoewel we hier samen zitten en het niet zo groot is, zie ik mijn vader nauwelijks. Als ik hem wel zie, is het de vraag of hij in een goede bui is: Mijn vader is een rustige en gedreven man, maar de omgeving deed iets met hem. Het gebeurde steeds vaker dat mijn vader thuiskwam en vervolgens iemand van het gezin een klap verkoopt, zonder duidelijke reden. Ik heb het niet over een corrigerende tik, ik heb het over een ontlading van woede en frustratie. Ik werd afgeleid door een mug die tussen muren wilde wisselen. Ze stuiterde rustig op en neer in de lucht tussen denkbeeldige touwtjes. Ik observeerde de mug een tijdje. Plagend wist ze zich net buiten mijn bereik te manoeuvreren en bleef ze cirkelend om me heen hangen alsof ik haar zon was. Ik snapte donders goed dat ze mij nodig had om te eten en voort te planten. Soufyan had me verteld dat alleen de vrouwtjes prikken om haar jongen te voeden. Ik was haar doelwit en met die gedachte voelde ik me gevleid. Huiverig bleef ik de mug observeren. Ze landde recht naast mijn hoofd op de muur. Ik sloeg de mug in één klap dood tegen de muur “ik haat je” zei ik mompelend. Ik had de conclusie getrokken dat ik beter af was zonder haar op deze aardbodem. Als een koning klopte ik m’n kussen weer netjes en ging ik languit gestrekt op mijn bed. Op de muur die altijd zo wit was geweest, zat nu een vlekje. Ik wist zeker dat mijn vader hier niet blij mee zou zijn. Hij was zuinig met alles wat hij had. Behalve met ons; ik verwachtte dat dit zou worden rechtgezet met een klap tegen mijn hoofd. Automatisch kwam een benauwd gevoel van angst in me naar boven gekropen. Ik deed mijn ogen dicht en slaakte een zucht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *