De Antrodokter – Een toekomst vol empathie

Aäron Spapens is afgestudeerd antropoloog en is momenteel bezig met zijn co-schappen om arts te worden. Een antropologisch medicus in spe die zijn verhalen uit het veld maandelijks publiceert op de site van Tijdschrift Cul.

Ik ben een nummer. Ik ben een diagnose. Wat ik ben? Ik ben patiënt. We raken langzamerhand de grip kwijt waar we nu eigenlijk mee bezig zijn. Of ik nu spreek over een organisatie als een ziekenhuis of een willekeurig andere instelling. Waar zijn de mensen gebleven?

Tekst // Aäron Spapens

Een enkele keer als ik in het ziekenhuis ben, zie ik de dood. Wat ik voornamelijk zie in het ziekenhuis is leven. Of ik nu wel of geen contact met ze heb, ik zie een mens. Sterker nog, ik zie een primitief wezen. Primitief omdat wij, vaker dan wij eerlijk willen toegeven, geen controle hebben over hoe wij ons voelen, uiten en gedragen. Beleven is niet zoals wij graag denken een hoger cognitief functioneren gelimiteerd tot de mens. Het is enkel het bewustzijn van – de waarneming van prikkels en het vermogen tot reactie hierop. Dit is, verre van, gelimiteerd tot ons mens-zijn. En vaker dan wij willen toegeven, bevinden wij ons in ons primitieve bewustzijn.

De eerste woorden na het ontwaken uit de anesthesie van de operatie, de situatie na niet-aangeboren hersenletsel na bijvoorbeeld trauma, neurodegeneratieve aandoeningen zoals Alzheimer of bij vrijwel alle psychiatrische aandoeningen. Het zijn de fragiele momenten van een al fragiel brein der mensheid. Deze momenten vergroten het reeds bestaande reliëf van ons primitieve bestaan. Gewoonten, opvattingen en visies die voorheen ‘klopten’, vormen ineens problemen.

Het wordt tastbaar – het woord tastbaar geenszins, enkel de ontoereikendheid van onze empathie over het gevoelsleven gepaard met de toereikendheid van onze empathie over ditzelfde gevoelsleven maakt dat dit reliëf gezien kan worden. Empathie is het inleven in een ander. Het ingeleefde kan nooit zo geleefd worden door de inlevende ander als voor de belevende zelf. We benaderen enkel de door onszelf ingebeelde werkelijkheid van de belevende ander. Empathie is wat ons als wezen een ‘menselijk’ wezen maakt.

De uitzonderlijke mogelijkheid van vervlakking van het reliëf bestaat daarentegen ook – hetgeen tot het verlies van mogendheid van empathie leidt. Het lijden aan een gebrek van empathie is geen verloochening van het menselijke. Soms is dit enkel een bewuste keuze.

Waarom zie ik dit laatste steeds vaker terugkomen in het dagelijks leven? Waarom zie ik de mens in de mensen steeds vaker weg dijnsen van het menselijke van de mens? Is het iets systemisch of organisatorisch? Of is het juist iets primitiefs in onszelf dat eigenlijk helemaal niet bezig wil zijn met het inleven in de zorgen van een ander? Ik stem voor optie 1; optie 2 verafschuw ik en weiger ik te accepteren in elke hoedanigheid.

Mijn grootste bezwaar en mijn meest belichaamde kritiek binnen het actuele medische systeem is dat wij, artsen, voor ons werk doelmatig op zoek zijn naar de antwoorden op de vragen van de patiënt. Het zij dat in dit systeem vragen en antwoorden, respectievelijk, staan tot problemen en oplossingen. Bij een probleem hoort per slot van rekening een oplossing – want gelukkig denken we nog wél oplossingsgericht. Het enige probleem is dat er daadwerkelijk een rekening dient betaald te worden voor deze dienst. In tegenstelling tot het helpen van vrienden, waar een vaag begrip van de situatie voldoende is voor een ‘gefundeerd’ advies, is de transactie van vraag en antwoord een heel ander begrip. Er dient namelijk een oorzaak gevonden te worden voor het probleem – ofwel een diagnose dient gesteld te worden.

En dat voor deze diagnose soms grote zaken moeten wijken, kan ik mij voorstellen in noodsituaties. Gek genoeg varen we in het ziekenhuis in noodsituaties dan weer minder op diagnosen, omdat na ‘het maar gewoon doen’ vaak blijkt wat de diagnose is en is het probleem alsnog verholpen – zoiets als het helpen van een vriend maar dan minder gevaarlijk. Maar waarom moeten we in alle niet-spoedsituaties wel een diagnose hebben? Omdat we zonder een diagnose geen DBC’s – Diagnose Behandeling Combinatie – kunnen inzetten. Zonder DBC, geen geld. Helaas geldt dit laatste dus voor het gros van de medische zorgverlening.

Het was tijdens mijn coschap psychiatrie dat ik zelf een patiënt zag die depressieve klachten ervaarde en hier met behulp van de huisarts niet vanaf kwam. Ik vroeg mij af of deze patiënt niet gewoon gebruik kon maken van bepaalde therapieën en zorg-/hulpverleners zonder gelijk de diagnose depressieve stoornis te krijgen. Helaas bleek dit niet waar te zijn. Om dit aan te kunnen bieden moest er eerst een diagnose gesteld worden alvorens deze opties te kunnen aanbieden.

Als arts begreep ik feilloos waarom ik de diagnose zou stellen. De patiënt krijgt dan de goede zorg en kan herstellen. Als mens begreep ik niets van dit systeem. Waarom moet er een diagnose gesteld worden om iemand wat begeleiding te geven? Misschien stelde ik deze vraag als mens omdat ik mijzelf bewust ben dat dit verreikende gevolgen kan hebben. Probeer bijvoorbeeld maar eens een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten als je de diagnose depressieve stoornis hebt (gehad). Mijn inziens handelde de arts uit automatisme, haast instinctief – niet bewust van de mogelijke gevolgen die dit ook op de patiënt heeft.

En niet alleen bij de psychiatrie gebeurt dit, vrijwel elk specialisme heeft zo zijn eigen kuren en mores. Het meest schrijnende van alles vind ik nog wel dat de meeste zorg geleverd wordt wanneer het eigenlijk al te laat is. Zo heb je recht op revalidatie na een hart- of herseninfarct, terwijl hier vaak jaren van slechte leefgewoonten aan vooraf gegaan zijn. Heb je niet aangeboren hersenletsel dan is de kans dat je 3 maanden moet wachten op revalidatie groot, want zoals overal in de zorg zijn er wachttijden. En dit terwijl we weten dat juist in de beginfase van elke ziekte of aandoening de grootste winst is te behalen.

Ik durf stellig te zeggen dat ik vind dat de zorg die geboden wordt zoals bij de psychiatrie en revalidatiecentra iets is waar iedereen gebruik zou van moeten maken. Haast iedereen die ik ken loopt wel eens tegen fysieke dan wel mentale beperkingen op, maar zijn toegewezen op de hulp van vrijwillige omstanders zoals vrienden en familie. Gelukkig zijn zij, sociale omstanders, de ware genezers in onze samenleving en ondervangen hiermee de grootste ziektelast door het inzetten van preventie. Maar waar deze preventie tekort schiet, komt vaak de professionele zorg te laat. Met behulp van verreikende diagnosen en daaraan gekoppelde behandelingen proberen we vervolgens mensen weer regie in hun eigen leven te geven. Dit lukt, gelukkig. Alleen zouden we als ‘professionele vrienden’ veel eerder ingegrepen hebben. Het wordt tijd dat we weer empathisch tegenover de patiënt staan. Dat we de patiënt in zijn leefwereld positioneren van gedragingen en gewoonten, en opvattingen en overtuigingen. Een geneeskunde die soms minder vaart op diagnosen, maar op het empathisch vermogen van de mens om zo ongezonde levenspatronen te herstellen en gezonde levenspatronen te behouden. Dat we een holistische manier van kijken gebruiken om van geneeskunde weer een geneeskunst te maken – de kunst van het uniek maken van zorg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.