Alumnus aan het woord: Robert Pool – Een academische carrière doorspekt met de dood

Tekst // Simone Hanrath

Beeld // Naomi Veenhoven

Robert Pool is hoofd van de afdeling antropologie en sinds 2010 verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. In het alumni interview van dit nummer bespreken we de weg naar deze en andere posten, zowel binnen als buiten de universiteit. Daarnaast blijkt dat het toeval de carrière van een antropoloog dikwijls beïnvloedt.

Op vrijdagmiddag, net iets na drieën, drink ik een ietwat lauw kopje koffie met een man met grauw haar, een bril en een lange lijst aan levenservaring.  ‘Hier zat je dus verstopt’, zegt hij. Het blijkt dat we elk tien minuten op elkaar hebben zitten wachten in een andere hoek van CREA. Gelukkig voor mij, blijkt Robert Pool tevens een redelijk man, die zich niet stoort aan mijn organisatorische onhandigheid of het feit dat ik wegens de tijd besluit meteen maar te vragen naar een samenvatting van de loopbaan van mijn tafelheer. Wat carrière betreft, blijkt Pool te geloven in goed geregisseerd toeval dat kan beginnen bij oprechte interesse en met de vraag van het moment kan uitmonden in een aanstelling. Een lappendeken lijkt als metafoor dan ook het meest op z’n plek. In tegenstelling tot het beeld van de docent die veertig jaar in monochrome stijl aan dezelfde universiteit werkt, kent de carrière van Pool meerdere momenten die hebben geleid tot meerdere aanstellingen.

Hekserij en euthanasie

Het aan elkaar breien van de deken van Pool begint eigenlijk al bij zijn middelbareschooltijd. Waar de meeste studenten binnen twee jaar na het afmaken van de middelbare school een studie kiezen waarvan ze hopen dat het de juiste is, begint Pool tien jaar later uit overtuigde interesse aan de studie antropologie. Dit doet hij na eerst jaren buiten de academie gewerkt te hebben. De bachelor wordt opgevolgd door een specialisatie in de medische antropologie en uiteindelijk bekroond met een promotieonderzoek naar hekserij in Kameroen. De brede thema’s ‘onderzoek in Afrika’ en ‘gezondheid’ komen nadien terug in latere opdrachten. Na Kameroen heeft Pool onder andere gewerkt aan een onderzoek naar euthanasie in Nederland, en verschillende onderzoeken naar malaria en aids binnen Europa en Afrika. Aanstellingen aan de universiteit werden afgewisseld door non-universitaire opdrachten bij onder andere het Tropeninstituut in Tanzania en the British Health Council. Via The Global Health Program is Pool uiteindelijk in Amsterdam beland. Aan de UvA werd hij in eerste instantie aangesteld als tijdelijk vervanger van Mario Rutten, maar na diens overlijden veranderde de ‘plaatsvervang­ende functie’ in een vaste aanstelling.

Er wordt over het hoofd gezien dat mensen ook in staat zijn
‘mooi’ te sterven.

Als hoofd van de afdeling heeft Pool in de afgelopen tijd menig promovendi voorbij zien komen die zijn of haar PhD doet ‘omdat het kan’. Volgens Pool is een dergelijke drijfveer zonde. Een zodanig gemotiveerde, hardwerkende PhD ’er blijkt na zijn of haar proefschrift vaak niet te weten welke kant hij beroepsmatig op wil. Door een gebrek aan motivatie of talent weet hij echter ook niet door te breken binnen de academisch wereld, en blijft hij bungelen in het grijze onbekende. In plaats van de antropologie daarom als een academische beroepsopleiding te zien, zou iemand zich ook kunnen oriënteren op de beleidsvormende en adviserende banenmarkt. Denk hierbij aan een carrière als beleidsmaker, manager, onderhandelaar of ondernemer. Overigens hoopt Pool zelf, als onderzoeker in hart en nieren, de ‘managerspost’ van afdelingshoofd aan het einde van dit jaar in te ruilen voor een onderzoeksfunctie.

De alledaagsheid van de dood

Zoals eerder genoemd deed Pool onderzoek naar euthanasie, aids en malaria. Gedurende deze onderzoeken was de dood een veel voorkomende gebeurtenis. Deze alledaagsheid van de dood leidde bij Pool noch bij diens respondenten tot haar banalisering of onverschilligheid. Integendeel, ook op plekken waar de dood zich dag in dag uit door ziekte of eigen wens voordeed werd er de vereiste en oprechte aandacht geschonken aan begrafenissen en processen van afscheid. In plaats van onverschilligheid, bracht het werken in een dergelijk doodsbewuste context Pool het inzicht de dood niet langer te beschouwen als uitzondering, maar als een zekerheid. Hetgeen in ons gesprek het onderwerp van het taboe aankaartte. Pool: ‘Als ik aan tafel wil praten over mijn testament, zegt meteen iedereen: “Nu even niet” of “Zullen we het over iets gezelligers hebben?”’ Een vergelijkbare ontoelaatbaarheid van de dood kwam ook voor binnen het onderzoek naar euthanasie. Vanaf de terminale diagnose, tot aan het postmortale verwerkingsproces, stond hier dikwijls de belevenis van de levende, en niet de stervende, centraal. De dood wordt zo telkens verbonden aan leed en verlies. Daarmee wordt volgens Pool over het hoofd gezien dat mensen ook in staat zijn ‘mooi’ te sterven.

Dat de dood meerdere gezichten kent en dat deze zich verhouden tot zowel de beleving van de stervende als de levende is terug te lezen in  Pools artikel  ‘Death and Dying’. Hierin zijn met name handelingen en rituelen opgetekend die plaatsvinden binnen de ‘liminele periode’ die bestaat tussen dood en verwerking. De beschreven rituelen lopen uiteen van kannibalisme tot het ontvetten en dehydrateren van lichamen met als doel meer tijd te creëren om een begrafenis voor te bereiden.

Na zich jaren met de dood bezig gehouden te hebben is Pool toe aan een ander, wellicht minder intens beleefd onderwerp. Wat dat onderwerp zal worden laat hij wederom afhangen van het toeval dat passeert. Wij laten ons verrassen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *