Er bestaat een groter taboe dan de dood – In gesprek met eenzame-dodendichter F. Starik

Doodgaan doe je helemaal op je eigen houtje, zeker wanneer je als zwerver of vergeten stadsnomade de pijp uitgaat. Dan sterf je in een armzalig, tochtig hoekje en is er niemand die nog even aan je denkt. Dat moet anders, vindt eenzame-dodendichter F. Starik. ‘Alleen doodgaan is niet het grootste probleem, alleen leven is nog fucking erger’, aldus de dichter die soms de eenzaamheid van een verlopen vakbroeder letterlijk kon ruiken.

Tekst // Tobiah Palm

Beeld // Keke Keukelaar

In Amsterdam sterven per jaar ongeveer vijftien mensen in eenzaamheid. Dit betekent dat er niemand meer over is om op hun uitvaart te komen. Er was waarschijnlijk ook niemand in de weken voor hun dood of op het moment dat ze hun laatste adem uitbliezen. Wanneer iemand eenzaam sterft, krijgt hij of zij een uitvaart verzorgd door de gemeente. Amsterdam geeft de eenzame gestorvene een waardig afscheid: er zijn dragers, bloemen en tegenwoordig spreekt er ook een dichter op zo’n uitvaart.

​De eerste die verzon dat een gedicht passend is voor een eenzame uitvaart was Bart F.M. Droog in 2001, toenmalig stadsdichter van Groningen. Later werd dat overgenomen door F. Starik. Hij richtte de zogenaamde ‘Poule des Doods’ op: een groep dichters die om beurten de vergeten doden uitzwaaien.

​Wanneer iemand sterft en diegene niemand meer heeft, dan belt de gemeente F. Starik op. Hij wijst vervolgens een van de schrijvers uit de Poule des Doods aan om voor de gestorvene te dichten. De dichter heeft een kleine week om iemands leven in te duiken en probeert op die manier zo veel mogelijk te weten te komen over de eenzame dode. De dichter gaat naar het huis waar hij leefde, het dak waar hij vanaf sprong of belt de kinderen op die hem misschien wel nooit gekend hebben. Het is een ‘baan’ die je voor het leven hebt, die je bij je draagt, als een taak.

‘Ik denk dat eenzaamheid een veel groter taboe is dan de dood.’

​Ik sprak F. Starik in zijn stamkroeg in de Staatsliedenbuurt. Een stamkroeg waar hij duidelijk welbekend is: de barman heeft zijn cappuccino al gezet voordat Starik aan zijn tafel zit. Tijdens het gesprek blijkt dat er volgens Starik nog iets veel ergers is dan ‘de’ dood.

​We zitten tegenover elkaar bij het raam. Starik kijkt mij nooit aan, ik zie hem constant en profil. Als er een vraag gesteld wordt, denkt hij eerst even na, trekt ondertussen zijn ene wenkbrauw en vervolgens zijn andere wenkbrauw omhoog en geeft tenslotte een weloverwogen antwoord.

 F. Starik is een pseudoniem. Waar komt deze vandaan?

‘Starik is Russisch voor “oude man.” In Dostojevski is er een oude man die te overlijden komt. Wanneer dat gebeurt begint hij verschrikkelijk te stinken. In het dorp wordt dat gelijk opgeblazen. Het gerucht gaat namelijk dat als je zuiver geleefd hebt, je ook zuiver sterft. Ik vond dat wel aantrekkelijk. Daarvoor heb ik nog een tijdje Von Stroheim geheten: The man you love to hate. Vond ik grappig. Het moet kennelijk met ‘St’ beginnen.’

 Is dichten op een eenzame uitvaart het mooiste wat een dichter kan doen?

‘Kijk, poëzie is bij uitstek iets wat bij de grote overgangsrite van het leven hoort: geboorte, dood, huwelijk. Maar de dood is wel de mooiste van die drie. Bijna alle dichters zijn in zekere mate gepreoccupeerd met het eigen en andermans sterven. Als mensen spreken op een uitvaart, wordt er altijd verwezen naar “jij”: “Je was een geweldige kerel, we gaan je ontzettend missen.” Pas op het moment dat iemand daadwerkelijk de grond ingaat, dan verandert een persoon in een hij of zij. Het moment dat tussen het ogenblik dat je je laatste adem uitblaast en het moment dat je onder de grond wordt geschoffeld zit, is een heel belangrijk moment.’

 Wat voor mensen zijn het die eenzaam sterven?

‘Gewoon een dwarsdoorsnede van de mensen die je nu over straat ziet lopen. Het is even gemêleerd als de bevolking zelf. Met het verschil dat het vrij onwaarschijnlijk is dat mensen precies op het moment dat jij kijkt dood neervallen. Toch kan het zomaar gebeuren, dus kijk maar niet te lang naar buiten. Ik wil niet op mijn geweten hebben dat er eentje neervalt.’

 Hoe staat u tegenover de dood?

‘Als iets onvermijdelijks. Het is de andere kant van de medaille van het feit dat we leven. Als we niet doodgaan, kunnen we ook niet echt leven. Tenminste, zo wordt het gezien. Het feit dat je leeft betekent dat je op enig moment zult sterven. In principe sta ik niet afwijzend tegenover de dood.’

 Hoe zou uw uitvaart eruit moeten zien?

‘Het enige dat ik vrij zeker weet, is dat ik het heel leuk zou vinden om op het nummer “Ulakanakulot” van de Virgin Prunes de kist in te gaan. Punkmuziek met een heel slepend ritme. Het lijkt me heel leuk als er een paar van die ouwe dragers, die we vaak bij de eenzame uitvaart hebben, in de zogenoemde huppelpas van Echternach de kist de aula indragen. Alsof ik heftig tegenstribbel in die kist van “ik wil niet, ik wil niet”. “Maar je moet toch!” Dat lijkt me op de een of andere manier onstuitbaar grappig. Dat de man die zo goed met de dood is, zelf niet de laatste stap wil maken, die zich tot in de kist verzet tegen het onvermijdelijke. Dat is het enige verlangen dat ik heb, voor de rest zien ze maar.’

​‘Mijn opa ligt op de begraafplaats Zorgvlied. Daar liggen meer familieleden. Ik heb dat toentertijd overgenomen omdat het graf anders geruimd zou worden. Zelf kan ik er ook bij gaan liggen. Ik heb alleen niet zoveel met Zorgvlied en daarnaast is het zo ver uit de buurt. Wij, bij de eenzame uitvaart, begraven onze dooien op begraafplaats Sint Barbara. Daar kom ik al vijftien jaar. Ik ben ook erg gesteld op de familie die deze begraafplaats uitbaat. Eigenlijk wil ik liever daar, in hun warmte, liggen. Ook voor mijn fans, dat die ergens heen kunnen met hun verdriet. Dat is natuurlijk wel belangrijk.’

De dood is voor velen een vrij zwaar onderwerp. Wellicht zelfs een taboe. Is dat anders voor u, omdat u zo veel met de dood bezig bent?

‘Vind ik wel meevallen. Ik denk dat eenzaamheid een veel groter taboe is dan de dood. Iedereen heeft wel met dood te maken. Al is het maar een huisdier. Daar wordt ook niet over gepraat, maar ik denk dat eenzaamheid een veel diepgravender taboe is.’

Bent u bang voor eenzaamheid?

‘Nee… Ja, eenzaamheid is een heel moeilijk fenomeen. Een fenomeen dat, zeker in onze samenleving, met veel schaamte en weerzin is omgeven. In zekere zin is het een taboe: we kunnen er nauwelijks over spreken.’

​‘Toevallig kreeg ik gister bericht dat een schrijver van een generatie boven mij is overleden. Hij was volgens zijn familie zeer eenzaam, hij werd weinig gebeld en weinig bezocht. Een man die ik regelmatig tegenkwam en ook wel praatjes mee maakte. Je kon zijn eenzaamheid bijna ruiken. Ik dook weg als ik hem zag, maar dikwijls was een ontmoeting niet te vermijden. Je merkte aan alle dingen die hij wilde uitwisselen dat jij waarschijnlijk de enige was die hij die week sprak. Dan is het niet leuk om eenzaam te zijn. Ik weet niet of het ergens toe leidt dat ik dit vertel, maar het hield mij erg bezig de laatste dagen. Dat is het nadeel als je de eenzame uitvaart-dichter bent, dan krijg je altijd dit soort gevallen.’

Het moet gekozen eenzaamheid zijn?

‘Eenzaamheid is een uitzonderlijk pijnlijk taboe in onze samenleving, we weten er geen weg mee. Onze betreurde burgemeester, ook recent overleden, was veel bezig met het fenomeen eenzaamheid in de stad. Ik heb hem daar ook een aantal keer over gesproken. De gemeente probeert eenzaamheid op te heffen met verschillende projecten, maar mijn indruk is dat je het er alleen maar erger mee maakt.’

Waarom dan?

‘De gemeente regelt bijvoorbeeld dat, als je kan bewijzen dat je echt eenzaam bent, je met andere eenzamen de avondmaaltijd mag gebruiken. Daar mag natuurlijk geen alcohol bij geschonken worden, want het is niet de bedoeling om dronkenlappen aan te trekken bij zo’n “gezellige” maaltijd. Dat vind ik volkomen kansloze projecten.

 ‘Je bent eenzaam als je je op een verjaardag bevindt waar je eigenlijk helemaal niemand kent.’

Omdat ik zelf de benauwenis ken: je bent eenzaam als je je op een verjaardag bevindt waar je eigenlijk helemaal niemand kent. Dat zit dan allemaal in een kring met een bordje taart op schoot, terwijl niemand elkaar echt wat te vertellen heeft. Dat is van een gruwelijkheid waar geen mens gelukkig van wordt. Dan zit ik toch liever voor de buis eenzaam te wezen.’

Zijn er dingen die er wel tegen te doen zijn?

‘Het is een tamelijk ongrijpbaar fenomeen. Zoals oud-koningin Wilhelmina ooit gezegd heeft: “Eenzaam maar niet alleen”. Een koningin omringd door hofdames en knikkende onderdanen, voortdurend in het opgedrongen gezelschap van mensen, die zich dan toch alleen voelt. Dat is een hele fundamentele manier van eenzaam zijn. Het is iets ingewikkelds, waar beleid machteloos tegenover staat. Maar goed, daar waren de burgemeester en ik het niet helemaal over eens. Hij snapte mijn betoog wel, maar je hebt natuurlijk ook te maken met enorme maatschappelijke kosten die met vereenzaming samenhangen. Eenzame mensen worden eerder ziek, gaan eerder dood. Ze drinken zich het schompes en vallen daardoor van de trap. Dat kost allemaal geld.’

 Zouden we het taboe kunnen opheffen? Door er bijvoorbeeld over te spreken?

‘Als ik dan terugkom bij het voorbeeld van die schrijver: wanneer ik hem tegenkwam, dan snoof ik zijn eenzaamheid al op en verliep het gesprek van mijn kant uit moeizaam, vanwege de paniek die ik bij hem waarnam. Hij dacht: ik moet deze man blijven boeien, want hij gaat mijn eenzaamheid oplossen, al is het maar voor dit moment. Terwijl alles bij mij in opstand kwam. Ik dacht: ik kan jouw eenzaamheid niet oplossen. Maar dat is niet iets wat je gauw zult uitspreken. Het is heel moeilijk om daar woorden voor te vinden. Dat is ook iets waar mensen zich schuldig over kunnen voelen, dat je andermans eenzaamheid niet kan oplossen. Ik heb enkel een tien minuten durend praatje bijgedragen, maar dat was natuurlijk bij lange na niet genoeg.’

Starik besluit het gesprek met de woorden ‘ik moest maar eens boodschappen gaan doen’, waarna hij opstaat om te betalen. Dat hoeft niet, we krijgen de cappuccino’s van het huis. Starik groet de barman, belooft om snel terug te komen om de kipsaté te proeven, en loopt ‘zijn’ Staatsliedenbuurt in.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *